
Betje Koeten-Ooms
(Elisabeth Koeten-Ooms)
Elisabeth (Betje) Koeten-Ooms, geboren in Kralingseveer (nu Rotterdam), was een pionier in lokaal bestuur en voorvechtster van voorzieningen voor ouderen. Ze groeide op in een arm protestants-christelijk gezin van twintig kinderen en moest al op twaalfjarige leeftijd als dienstmeisje gaan werken. Haar vroege ervaringen met armoede en vernederende werkomstandigheden wekten haar interesse in socialisme en vakbondswerk. Ze werd actief in de Rotterdamse Dienstbodenbond en sloot zich aan bij de SDAP.
In 1912 trouwde ze met Gerrit Koeten, timmerman en socialist, en kreeg drie kinderen. Ze bleef actief in de SDAP en de Sociaal-Democratische Vrouwenclub in Schiedam. In 1919 werd ze bij de gemeenteraadsverkiezingen gekozen en werd zo het eerste vrouwelijke gemeenteraadslid van Schiedam. Ze pleitte in de raad voor praktische verbeteringen voor arbeidersgezinnen, zoals goedkope cokes voor werklozen, verlaging van gasprijzen, zuigelingenzorg en zwemvoorzieningen voor vrouwen. Ook verzette ze zich tegen de wettelijke uitsluiting van vrouwen van bepaalde beroepen na hun huwelijk.
Na het overlijden van haar man in 1928 bleef Koeten-Ooms alleen verantwoordelijk voor haar gezin, maar ze bleef maatschappelijk actief. Ze was betrokken bij het Sint-Jacobs-Gasthuis, waar ze verbeteringen doorvoerde in de leefomstandigheden van ouderen. Ze richtte afdelingen van het Groene Kruis en de N.A.S.B. op en zette zich in voor kraamhulp, thuiszorg en voedselvoorziening aan kinderen en werklozen.
In 1954 hielp ze bij de oprichting van de Vrouwenclub van de Algemene Bond van Ouden van Dagen (‘Onder ons’) in Schiedam, en bleef actief als voorzitter en regentes van het Sint-Jacobs-Gasthuis. Haar werk verbeterde het leven van arbeiders, arbeidersvrouwen en ouderen in Schiedam aanzienlijk.
Elisabeth Koeten-Ooms overleed in 1968 op 79-jarige leeftijd. Haar betekenis werd later geëerd met een straatnaam in Schiedam: de Elisabeth Koetenstraat.